Groep 4

​In groep 4 is het de eerste week  best wennen voor de kinderen. In groep 4 schrijven we boven ons werk de datum en de naam van de les. Elke keer weer opnieuw, dat is nieuw en soms lastig. Nieuw is ook dat we in echte schriftjes gaan werken met taal, spelling, woordenschat en rekenen. We hebben deze week geoefend op losse blaadjes dat ging soms al best goed.

Rekenen:
We gaan de komende weken werken met getallen tot 100. Dat betekent niet sommen maken met deze getallen, maar oriënteren zoals dat zo mooi heet. We oefenen sprongen van 5, 10, 2 en 1.
Voorbeeld:
Vul de telrij aan: 56 – 58 – ? – ? – ?
De schrijfwijze is hierin ook belangrijk. Sommige kinderen willen de getallen nog wel eens omdraaien heb ik gezien. Natuurlijk mag u altijd thuis oefeningen hiermee doen. Getallen opschrijven tussen de 0 -100 en vervolgens kijken hoe het gegaan is. De sommen die we maken gaan de eerste weken tot de 20. Een voorbeelden zijn: 15-2= & 15+4=
Belangrijk hierbij is dat de kinderen de gemakkelijke som gebruiken om deze uit te rekenen. Dus bij 15+4= rekenen ze: 5+4= 9 Daarna voegen ze het ti​ental erbij. Antwoord: 19.

Spelling:
Blok 1 staat in teken van de klankwoorden, ook wel hakwoorden genoemd. Deze woorden zijn klankzuiver, dat betekent dat de kinderen naar de klanken moeten luisteren en als ze alle klanken goed kennen deze woorden foutloos kunnen spellen. Ik leer de kinderen de gebaren van: ‘Zo leer je kinderen lezen en spellen’ hierdoor hebben ze nog wat extra houvast. Woorden die aanbod komen zijn: de aap, de boog, ik speel, de brief, klaar, de bril, het ei, de trein, het plein, klein, het meisje, het zeil. De laatste woorden met de ei, zijn tevens weetwoorden, omdat het hier om woorden gaat die de kinderen veel moeten oefenen zodat ze weten dat trein met de ei is en niet met de ij.
Tot en met blok 2 oefenen we alleen hakwoorden (klankzuivere woorden). Deze woorden hebben soms wel een andere moeilijkheid. Bijvoorbeeld de ei/ij of de sch- of de ou/au en we sluiten blok 2 af met de drie-tekenklank. Je hoort een -j maar je schrijft de –i. Voorbeelden zijn. Haai, hooi, saai, draai, kooi enz.

Taal:
Taal is opgedeeld in verschillende onderdelen: woordenschat, spreken/luisteren, schrijven en taalbeschouwing. Elke dag staat één onderdeel in de les centraal. Vrijdag is de afmaak dag, of inhaaldag. De eerste les van groep 4 is een woordenschat les. We hebben in de les verschillende woorden geleerd en ook geleerd hoe je nieuwe woorden kan leren. Dat doen we in groep 4 door er een plaatje en een naamkaartje bij te hangen. De woorden die we geleerd hebben zijn:
Het apparaat, de badkamer, de douche, de kelder, de koelkast, het meubel, de voordeur, de wastafel, de wekker en de zolder. Elke week leren de kinderen nieuwe woorden. Leuk als u ook thuis vraagt naar deze woorden en hier samen over praat. Als u echt wil bijdragen aan de woordenschat van uw kinderen dan kunt u thuis ook beginnen met labelen. Dat doet u bijvoorbeeld door een klein kaartje op de wastafel te hangen, waarop staat wastafel. U kunt het zo moeilijk maken als u wilt. Zien de kinderen elke dag het kaartje, na een paar dagen vergeten ze het woord nooit meer.

Volgt u ons verder via de PARRO-APP en onze Facebook pagina van De IJsbreker. Daar vindt u alle activiteiten die we ondernemen en leuke foto's!