• Column
Zo hecht als vissen in een kom

De ASKO heeft zo'n ruim 9.300 leerlingen op haar 32 scholen. Wat vinden deze leerlingen belangrijk op hun school? Wat speelt er bij hen? Wat merken zij van alle onderwijskundige en pedagogische concepten? Wie kan dit beter vertellen dan de leerlingen zelf? In deze serie columns laten we de leerlingen van onze ASKO scholen aan het woord.

Deze keer vertellen Khaled, Sohaïb en Mohammad, leerlingen uit groep 8 van De Pool, over hun bijzondere vriendschap, vluchten en onrecht.

Zo hecht als vissen in een kom...


Even voorstellen
“Hallo mijn naam is Sohaïb. Ik ben 11 jaar. Mijn achtergrond is Marokkaans. Mijn ouders komen uit Marokko. Ik ben zelf in Amsterdam geboren. Ik woon samen met één broer en één zus in huis.”
“Hoi mijn naam is Khaled. Ik ben Egyptisch en mijn ouders ook en mijn broer en zusje. Maar wij drieën zijn in Amsterdam geboren. Ik ben 12 jaar.”

“Hoi ik ben Mohammad. Ik ben 12 jaar en ik kom uit Syrië. Ik wil als ik terug ga naar Syrië dat alles weer goed is.”

“Vind je het niet leuk dan in Nederland?”, vraagt Sohaïb aan Mohammad.
“Jawel, ik vind het leuk in Nederland. In Syrië, ging ik met school niet naar Artis. Maar hier wel. Ze hebben alles: apen, leeuwen, olifanten. In Syrië speelden we veel buiten, hadden rekenen….”

Vriendschap
Khaled, Sohaïb en Mohammad zijn drie beste vrienden en vertellen mij over vriendschap, vluchten en onrecht.

“Vriendschap staat op nummer twee. Familie op één. Het begon in groep 3 met de helft van de klas. We hadden een leuke juf, juf Ingrid. We hadden veel lol met elkaar. We kwamen er achter dat onze band enorm groot was. In groep 6 hadden we wel wat conflicten. Maar we zijn zo hecht als vissen in een vissenkom.”

Op het schoolplein kwam Mohammad, voordat hij op De Pool zat, af en toe mee voetballen met de jongens. “Ik kom bij jullie op school”, vertelde hij aan hen. En inderdaad, in groep 8 is Mohammed erbij gekomen.

“Voorheen werden kinderen altijd aangekeken als ze nieuw waren in de klas. Maar Mohammad werd gelijk opgenomen door de klas. Het is heftig wat Mohammad heeft meegemaakt. Hij heeft mij verteld dat hij kinderen heeft zien sterven. Dat zijn huis is vernield. Als iemand al zoveel heeft meegemaakt, heb je respect voor hem. Ik verwelkom hem in mijn wereld, in mijn vriendschappen.”


 “We voelen ons als broers, familie dus.”


 

Veel te vertellen
En inderdaad, Mohammad, heeft veel meegemaakt. “Syrië is mijn land. Ze vechten in mijn land.” Zijn tranen bungelen over zijn wangen als hij vertelt over de inval die zijn tante in Syrië pas nog tijdens het Suikerfeest heeft overleefd. Gelukkig. Sohaïb legt een arm om Mohammad heen. “Niet huilen”, zegt Khaled troostend. “Kon je tante niet meevluchten?” Geen geld, geen eten. Dat ging helaas niet.
Mohammad vertelt verder over zijn vlucht met zijn vader, moeder en zusje. Van Syrië naar Turkije. Bij de grens van Turkije werden ze aangehouden door een man. “Met drie sterren op zijn jas.” Zo nu en dan legt Mohammad iets in het Arabisch uit en vertaald Khaled het. De man met de drie sterren op zijn jas, richtte een geweer op zijn moeder. “Ik pakte het geweer en deed het op mij.” Mohammad doet voor hoe hij de loop van het geweer vastpakte en tegen zijn eigen borst aanduwde. “Ik zei: dood mij, niet mijn moeder.” De huilende jongen is veranderd in een sterke jongeman. “De man gaf mij een pistool. Hij zei: jij moet zelf vechten. Maar ik wil niet vechten.”

Khaled en Sohaïb kijken ontdaan. De één heeft de handen in het haar. “Dat doet pijn om te horen.”

“Juf, ik kan meer vertellen.” Hij kan een heel boek vullen. Mohammad glimlacht.

Onterecht
Eén van de andere jongens begint te vertellen dat het zo onterecht is dat als er een aanslag of iets groots gebeurt dichtbij Nederland er veel over te horen is. Maar over aanslagen, moord en geweld in Turkije, Palestina, Syrië en meer daar maken we ons niet zo druk om. “Soms hoor je meer over een nieuw soort Sushi uit Japan dan een onthoofding in Syrië.” Misschien niet helemaal het juiste voorbeeld, maar ik begrijp Khaled wel.
“Mijn neef uit Egypte is ook opgekomen voor een ander en daarvoor gedood.” En ook Sohaïb vertelt over zijn neef die hier in Nederland is omgekomen. “En dan hoor je alleen maar dat het een crimineel was in het nieuws. Maar de mensen kennen het verhaal niet.” De drie jongens maken zich ook druk over al die verhalen “over wat ze vluchtelingen noemen of buitenlanders. Dat ze zeggen: ga terug naar je land. We komen voor elkaar op. We zijn vrienden. We voelen ons als broers, familie dus.” De andere twee bevestigen het. Mohammad legt zijn arm om Sohaïbs schouders.

Drie beste vrienden. Een vriendschap die voelt als broers. Ze komen voor elkaar op. Ze vertellen en luisteren naar elkaars verhalen. Troosten elkaar. Bieden elkaar een stuk banaan aan. En vervolgens schoppen ze ook ‘gewoon’ samen een balletje door het lokaal, gniffelen ze als één stiekem een koekje pakt van een schaal op het bureau en in zijn geheel in zijn mond stopt. Slaan ze een arm om elkaar heen en kibbelen ze over wie op welke stoel gaat zitten. In Sohaïbs woorden: vrienden “zo hecht als vissen in een vissenkom.”



Met dank aan de schrijvers Khaled, Mohammad en Sohaïb uit groep 8 van basisschool De Pool.


Auteur en fotograaf: Jessica Bouva, onderwijsbegeleider bij Arkade, i.s.m. Khaled, Sohaïb en Mohammad.
 


Onderwijs aan vluchtelingenkinderen
Alle kinderen van vijf tot achttien jaar vallen onder de leerplichtwet. Dit geldt ook voor kinderen die asiel aanvragen in Nederland. In Amsterdam worden leerplichtige kinderen van zes tot en met twaalf jaar ondergebracht op basisscholen op loopafstand van de noodopvang of plek waar ze verblijven. Op deze school kunnen ze terecht in nieuwkomersklassen. In de nieuwkomersklassen leren de kinderen de Nederlandse taal. Als de leerlingen de Nederlandse taal beheersen vinden ze hun weg naar een andere basisschool.
Mohammad volgt elke vrijdag de lessen op basisschool De Pool. Daarnaast gaat hij nog naar een nieuwkomersklas op een andere school. Mohammad, Sohaïb en Khaled gaan volgend jaar alle drie naar de middelbare school.